“Ze kunnen nog niet eens van A naar B spelen”, “het is niet om aan te gluren”, of “ze hebben de techniek van een olifant”. Het zijn opmerkingen die je regelmatig voorbij hoort komen. Niet alleen op straat en in sociale media, maar ook in praatprogramma’s zoals Vandaag Inside. En opvallend genoeg zijn het vaak voetballers zelf die het hardst van de toren blazen.
Eerlijk is eerlijk: ik kan mezelf er ook vaak op betrappen dat ik vrouwenvoetbal niet aantrekkelijk vind om naar te kijken. Ik heb bijvoorbeeld nog geen hele wedstrijd van het huidige EK gezien. Wel heb ik de strafschoppenserie tussen Zweden en Engeland gevolgd, waarin slechts 5 van de 14 penalty’s werden benut. Dat zegt genoeg over het niveau, zou je zeggen.
Maar als we verder kijken, is er ook reden tot zorg. Het Nederlands elftal kreeg op het EK negen doelpunten om de oren in de laatste twee wedstrijden tegen Engeland en Frankrijk en werd kansloos uitgeschakeld. Ook op clubniveau stellen we internationaal nog weinig voor. Het organiserende EK-land Zwitserland verloor onlangs zelfs met 7-1 van een onder-15 team van FC Luzern. Het verschil met het mannenvoetbal is, hoe je het wendt of keert, nog enorm.
Nu is het logisch dat vrouwen nooit dezelfde snelheid, kracht en intensiteit zullen bereiken als mannen. Dat heeft niets met inzet te maken, maar met biologische verschillen. Waar wél een wereld te winnen valt, is in techniek en tactiek. En daar wringt het volgens mij. Bij veel amateurclubs wordt daar in de jeugdopleiding nauwelijks aandacht aan besteed. De meeste meidenteams worden getraind door enthousiaste vaders of moeders, vaak gewapend met oefenstof van YouTube. De passie is er, maar een echte opleidingsvisie ontbreekt vaak.
Het contrast met andere sporten is opvallend. In het vrouwenhockey, handbal en waterpolo is de kloof met de mannen op technisch vlak veel kleiner. Die sporten hebben zich goed ontwikkeld, mede dankzij toptrainers. Kijk naar hockey: Mark Lammers, een van de beste hockey coaches, stond acht jaar aan het roer bij de Nederlandse vrouwen. In het huidige vrouwenvoetbal is dat nog ondenkbaar. Laten we eerlijk zijn: jonge trainers die net hun UEFA KNVB-diploma hebben gehaald, staan niet te trappelen om een vrouwenteam te trainen. Daardoor belanden veel meiden in handen van trainers die wel enthousiast zijn, maar niet de bagage hebben om hen écht beter te maken.
Dat is zonde, want dáár ligt de sleutel voor de toekomst van het vrouwenvoetbal. De KNVB, BVO’s en topamateurclubs investeren wel, maar als we pas gaan bouwen bij de oudere jeugd of senioren, zijn we eigenlijk al te laat. Wil je betere speelsters opleiden, dan moet je al vanaf de onderbouw beginnen. Jongens leren al vroeg de basisprincipes van techniek en spelinzicht; bij meiden ligt daar nog een enorme uitdaging. Vooral keepers verdienen extra aandacht, want zelfs op het hoogste niveau laat de kwaliteit op die positie vaak te wensen over.
Mijn advies aan jeugdtrainers? Stop met die onzinnige loopladders, coördinatieoefeningen en vreemde looptrainingen. Meiden trainen vaak maar twee keer per week. Gebruik die tijd om te voetballen. Kleine partijvormen, veel pass- en trapvormen, dribbelen, aannames, wegdraaien, kaatsen, passeerbewegingen – dát is wat ze beter maakt én wat ze leuk vinden.
Want laten we eerlijk zijn: als meisje moet het frustrerend zijn om alles voor je sport te geven en vervolgens keer op keer te lezen dat vrouwenvoetbal “niet om aan te gluren” is. Tijdens mijn periode als Hoofd Jeugdopleidingen bij VV De Meern heb ik juist gezien hoe enthousiast en leergierig meidenteams zijn. In diverse jeugdselecties bij de jongens draaien meiden moeiteloos mee met de jongens – sommige steken er zelfs bovenuit. Echt geweldig om te zien. Die talenten vinden vaak hun weg naar een BVO, maar voor de groep daar net onder is het vaak een ander verhaal. Zij haken af omdat het niveau van het eerste vrouwenteam van hun club teleurstellend laag is. Veel speelsters zijn vaak al te oud en niet fit, en dat werkt ontmoedigend voor de ambitieuze talenten.
Het vrouwenvoetbal heeft tijd nodig. Tien jaar, misschien langer. Maar de basis ligt niet in kritiek of cynisme. De basis ligt op het trainingsveld, bij de jeugd, met trainers die het spelletje écht willen overbrengen. Geef de meiden dezelfde aandacht en opleidingskwaliteit als de jongens, en over een paar jaar kijken we misschien heel anders naar dat strafschoppenrijtje van 5 uit 14.
Rob Zomer
Geboren: 08-10-1960
UEFA A – KNVB Diploma
Vorige clubs: HVC, Sporting ’70, Vreeswijk, Zwaluwen Utrecht 1911, SV Nieuwkoop, VV De Meern (za en zo), VVZ’49, Jonathan en VV Maarssen.
Nieuwe seizoen: nog geen club.
In totaal 10 promoties, waarvan 2 via de nacompetitie en 8 kampioenschappen.






Eén reactie op “Column | Zomertijd: Vrouwenvoetbal – tijd, geduld en een betere aanpak”
[…] degradeerde afgelopen seizoen, in een rommelig jaar waarin tussentijds afscheid werd genomen van Rob Zomer na een verschil van inzicht. Hierop besloot ook een deel van de selectie het voor gezien te houden. […]